OVER

Een korte biografie 

Deel 2: Een buitenlands avontuur in de jaren 1968 en 1969, als vervolg op de eerste 25 jaar in Nederland!

Via Frankrijk reed ik in mijn oude Kever samen met Harry, een oude schoolvriend, die het gezapige leven in Nederland ook een beetje beu was, naar het zuiden. Vanaf de Golf van Biskaje gingen we met een enorme noordelijke boog eerst naar Portugal, de omgeving van Lissabon en daarvandaan terug naar het oosten via Sevilla naar de Costa del Sol. Alles over tweebaanswegen, snelwegen waren er niet of nauwelijks. 

Het jaar ervoor was ik met het vliegtuig twee weken naar Marbella geweest en had daar gelogeerd in een gehuurde tent op een camping op het strand. Die camping was nu ook het doel van onze trip. Verdere plannen hadden we nog niet.

Na een maand begon ons spaargeld op te raken en moest er toch wel iets gebeuren. Maar voordat we plannen in die richting konden maken kreeg Harry heimwee en ging met de trein terug naar Amsterdam. Zo zat ik alleen in mijn tent op het strand. 

Inmiddels had ik Joep leren kennen, een Nederlander die in van alles en nog wat handelde. Hij had alleen één probleem, had op dat moment geen auto. Die had ik wel, dus zo konden we een mooie deal sluiten. Hij huurde mijn auto en ik ging zijn schilderijen, T-shirts en boottripjes verkopen voor een leuk percentage van de verkoopprijs. En zo liep ik ruim een maand na mijn vertrek uit de gemeentelijke ambtenarenwereld in Amsterdam als een vrije vogel langs zonnige terrassen in het zuiden van Spanje en genoot van het leven. ’s Avonds had ik genoeg verdiend om heerlijk te kunnen eten en drinken. En de volgende dag? Ach, dat zag ik dan wel weer. 

VERDER LEZEN >

Na enige tijd leerde ik op een avond in een bar Liza kennen, een blonde Zweedse. Zij werkte in een damesmodezaak op de Plaza de los Naranjas, het intieme pleintje in het oude centrum van Marbella.  Onze relatie ontwikkelde zich al snel zodanig dat ik een paar weken later bij haar in trok. Zij had een klein flatje en dat kwam goed uit, want mijn verblijf op het strand werd door de dalende temperaturen een stuk minder prettig. 

Aangezien het aantal toeristen op de terrassen ook minder werd ging ik op zoek naar andere job. In een Engelse bar zochten ze iemand voor een dubbelfunctie, overdag achter de bar en ’s avonds als kelner in het restaurant. Aangezien je alles een keertje gedaan moet hebben in je leven, verruilde ik mijn loopbaan langs de terrassen voor het werk achter de tap en ’s avonds het bedienen in het restaurant. 

Ondanks dat we in Spanje woonden bestond onze vrienden- en kennissenkring bijna alleen uit buitenlanders, van Australië en Zuid-Afrika tot Canada en de Verenigde Staten en verder vooral uit de meeste Europese landen. De voertaal was Engels en dat was de voornaamste reden dat er maar weinig Spanjaarden tussen zaten, want voor de meesten van hen vormde een andere taal dan het Spaans een groot obstakel. 

Na verloop van tijd kon ik als barkeeper aan de slag bij Bar Amsterdam van Herman en Valda. Hij kwam net als ik uit Amsterdam en zij was een Engelse stewardess, die enkele malen per week met British Airways vanuit Londen op en neer naar Malaga vloog en dan altijd nieuwe langspeelplaten meebracht, waardoor wij in de bar het nieuwste van het nieuwste konden draaien, zoals het beroemde ‘White Album’ van The Beatles. 

Ik had inmiddels van de Guardia Civil te horen gekregen dat mijn auto na een halfjaar niet langer in Spanje mocht rondrijden, hetgeen betekende dat de auto het land uit moest. En zo reden wij begin januari 1969 ’s avonds weg uit Marbella op weg naar Nederland. Vandaar zouden wij ook nog haar familie in Zweden bezoeken. In het pikkedonker reden wij door de Sierra Nevada over bochtige tweebaanswegen, ’s morgens vroeg dwars door Madrid, om ’s avonds te overnachten in een motel bij Bordeaux. De volgende ochtend dwars door Parijs en ‘s avonds waren wij in Nederland, een tocht van ca. 40 uur in mijn oude Kever. Onderdak vonden wij bij mijn zuster in Mijdrecht, daar was meer ruimte dan bij mijn moeder in de Blancefloorstraat in Amsterdam.
Nadat ik mijn auto had verkocht kochten wij twee tickets voor de Fred. Olsenlijn naar Göteborg, waar een zuster van Liza woonde. Een paar dagen verbleven wij daar en toen verder met de trein door een winters landschap naar Olofström in Midden-Zweden. 
Hier was zij geboren en woonde haar vader nog steeds. Haar moeder was overleden toen zij jong was. Zij had het nooit goed kunnen vinden met haar stiefmoeder en was daarom al vroeg het huis uit gegaan. De temperatuur overdag was -/- 10°C en daalde ’s nachts tot -/- 20°C. Dat waren temperaturen die ik zelfs in de jaren van de Elfstedentochten in Nederland nog niet eerder had meegemaakt. Wij waren blij na enige dagen weer terug te zijn in Göteborg, daar was het slechts 5 graden onder nul, hetgeen door mij bijna als warm werd ervaren.
Eenmaal terug in Nederland, opnieuw met de boot, vlogen wij enkele dagen later met Iberia van Schiphol, via Madrid waar een tussenlanding gemaakt moest worden i.v.m. heftige turbulentie, door naar Malaga. Het was noodweer aan de Costa del Sol, grote delen van de kustweg waren door hevige neerslag weggeslagen en wij deden met een gehuurde auto er erg lang over om via allerlei smalle omwegen weer terug in Marbella te komen. Waar ons gewone ‘Spaanse’ leven zijn gangetje hernam.

Na enkele maanden begon ik een beetje ‘Spanje-moe’ te worden. Op cultureel gebied gebeurde er hoegenaamd niets. Je kon naar de bioscoop, maar dan zag je een Spaanssprekende John Wayne of Clint Eastwood, want ondertiteling bestond niet in dit land waar nog zoveel mensen laaggeletterd waren. En daarnaast was ik ook wel klaar met de eeuwige party’s en vernissages, waar alleen maar elke keer dezelfde buitenlanders opdoken.  Hun verhalen kenden wij inmiddels wel en dat zal andersom ongetwijfeld ook zo geweest zijn. Alleen wat nu te doen. Liza wilde naar Amerika, zij wilde absoluut weg uit Europa, maar dat zag ik als oud-demonstrant tegen de oorlog in Vietnam helemaal niet zitten. Ik twijfelde aanvankelijk wat te doen, maar koos ervoor om eerst maar terug naar Nederland te gaan. Dus namen wij half juli met pijn in ons hart afscheid van elkaar en zo zat ik enige tijd later op een avond moederziel alleen in de trein naar het noorden.  

In Nederland werkte ik om geld te verdienen aan de lopende band bij Johnson Wax in Mijdrecht en zag ik op een goede nacht Neil Armstrong zijn eerste stappen op het Maanoppervlak zetten. 
Toen mijn zwager vertelde dat hij familie had in Londen, wist ik direct wat ik wilde doen. Ik was nog niet klaar om permanent in Nederland te blijven. Londen, daar had ik ook wel zin in. Via zijn nicht, die een fish-and-chips eethuisje in Hammersmith uitbaatte, vond ik werk als barman bij een Ierse pub, “The Duke of Sussex”, in Shepherds’ Bush. 
Dat was hard werken, op zaterdagavond waren er minstens 200 mensen binnen en die wilden vijf minuten voor sluitingstijd, om 23.00 uur, allemaal nog een ‘last round’. Maar ik was tevreden, had werk, kreeg kost en inwoning in de pub en leerde weer allemaal nieuwe dingen. Tellen uit je hoofd bijvoorbeeld, in ponden, shillings en pence - 12 pence in één shilling en 20 shillings in één pond - terwijl je achter elkaar ‘pints’ en andere drankjes stond te tappen. De baas van de pub was een Engelsman, maar achter de bar stonden Ieren, Schotten, een jongen van Malta en deze verdwaalde Hollander. Een bont gezelschap dat perfect samenwerkte.
Helaas moest ik na drie maanden het land weer uit. Engeland was nog geen lid van de Europese Gemeenschap en ik kon daarom geen werkvergunning krijgen. Je moest eerst een werkvergunning hebben voordat je naar werk kon zoeken. En ik had eerst werk gevonden en probeerde daarna alsnog een werkvergunning te krijgen. Maar zo werkte het niet in de Britse ambtenarenwereld, dat was de verkeerde volgorde. Regels zijn regels. 
Op 1 oktober 1969 stapte ik op de boot naar Nederland en zat mijn buitenlandse avontuur er vooralsnog op. Het zou mij niet verbazen dat het moederland nu verwachtte dat ik haar weer kwam mee helpen opbouwen. De oorlog lag per slot van rekening nog geen 25 jaar achter ons.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Deel 1: de voorgeschiedenis: 1943 - 1968, de eerste 25 jaar in Amsterdam.
 
Op 17 juli 1943, ruim een maand na mijn geboorte, vond er een groot bombardement plaats op tweehonderd meter afstand van ons huis aan het Gentiaanplein in Amsterdam-Noord. Jonge Amerikaanse piloten, opgestegen in Engeland, waren door hevig afweervuur van de Duitsers in paniek geraakt, konden hun oorspronkelijke doel, de Ketjen-fabriek, niet vinden en dropten hun bommen lukraak op de woonwijk bij ons in de buurt. Hierbij kwamen veel mensen om het leven en werden talloze huizen verwoest. Dat was als zuigeling mijn kennismaking met de realiteit van dat moment. 

Vier jaar later verhuisde ik naar West. Op een maandag in april draaide onze verhuiswagen de Blancefloorstraat in. Ik was bijna vier jaar en zat beretrots op de bank naast de chauffeur in de cabine van de grote wagen die mij, samen met mijn moeder en mijn oudere zuster, naar ons nieuwe huis zou brengen. Mijn ouders waren een jaar geleden gescheiden. Mijn vader was na de festiviteiten van de bevrijding aan een veel jongere dame blijven hangen, waarop mijn moeder zei: ‘Je zoekt het zelf maar verder uit'. En zij trok in bij haar ouders. Haar schoonouders kozen, net als de rest van de schoonfamilie, haar kant. Dit betekende dat ik als klein jochie een half jaar bij hen in huis ben geweest.
In de Blancefloorstraat betrokken wij een omgebouwde zolderwoning in een pand met vier etages, dat eigendom was van mijn grootvader Adriaan. Hier zouden wij de komende jaren doorbrengen. Waarin ik eerst twee jaar naar de kleuterschool ging, gevolgd door zes jaar naar de Ten Kateschool. Mijn jeugd was rustig en kende weinig rimpelingen. Voor zover mij bekend kwamen wij niets tekort. Hoewel het een zeer eenvoudige tijd geweest moet zijn. Ik heb als kind daar evenwel niets van gemerkt. Armoede kenden wij, voor zover ik weet, niet. Hoewel ik vermoed dat mijn grootvader Adriaan haar zo nu en dan wel ondersteunde.

Na de lagere school ging ik naar de Daniël Goedkoop-ULO, wat aanvankelijk niet zo’n succes was. Ik was niet alleen klein voor mijn leeftijd - men schatte mij vaak jonger in - maar ik had ook geen interesse in studeren. Naar school gaan vond ik prima, maar daar moest het wel bij blijven. Ik ging liever voetballen met mijn vriendjes en neven, die in de buurt woonden. Huiswerk, dat kwam later wel. Na twee keer te zijn blijven zitten, zowel in de 1e als in de 2e klas, merkte ik dat de kinderen om me heen steeds jonger werden. Dat was voor mij het moment om serieus te gaan nadenken en vervolgens stoomde ik in één ruk door naar het eindexamen, dat ik als één van de weinigen in een keer haalde. In tegenstelling tot veel van mijn klasgenoten, die een her moesten doen of zelfs een heel jaar over. Die struikelmomenten kende ik wel, die was ik in het begin van mijn middelbareschooltijd al ruimschoots tegengekomen.    
Na een langdurige zomervakantie, waarop ik mijzelf trakteerde, hoorde ik van een tante van mij dat men bij het Girokantoor der Gemeente Amsterdam administratief personeel zocht. Waarop ik de volgende dag ging solliciteren en gelijk kon beginnen. Het Girokantoor was gevestigd aan de O.Z. Voorburgwal, in het gebouw van de vm. Grote Vleeshal, t.o. het stadhuis.
Nadat ik ca. anderhalf jaar een mooie tijd had doorgebracht op de afd. Machtigingen/ Automatische Overschrijvingen en had genoten van mijn salaris van Hfl. 175,- per maand, werd ik goedgekeurd voor militaire dienst. Enkele maanden later kreeg ik een oproep om mij in februari 1963 te melden bij de Krayenhoffkazerne in Nijmegen, bij de Instructie- en opleidingsschool van de Koninklijke Luchtmacht.

Mijn haar had ik kort laten knippen. Ik wilde in het begin niet opvallen. Daarvoor droeg ik het vrij lang, zeker voor die tijd, waarop ik nog wel eens werd uitgemaakt voor ‘zigeuner’. En dat ik niet opviel bleek wel, want aan het einde van de basisopleiding kende de pelotonssergeant nog steeds mijn naam niet. Hetgeen tevens inhield dat je dan weinig vervelende klusjes te doen kreeg.
Na afloop van de basisopleiding werd ik overgeplaatst naar de vliegbasis Deelen bij Arnhem. Echter niet om te vliegen. Nee, het was voor een opleiding tot telexist. Waarbij wij 300 aanslagen per minuut op de telex, het modernste communicatiemiddel van dat moment, dienden te beheersen. Foutloos. Deze opleiding duurde opnieuw 12 weken. 
Hierna konden wij kiezen om óf in Nederland te blijven, om bijvoorbeeld op een vliegbasis gestationeerd te worden, óf om naar het buitenland te gaan. Aangezien ik geen enkele behoefte had om elke week naar huis te gaan - ik was inmiddels behoorlijk gesteld geraakt op mijn vrijheid - koos ik ervoor om naar een nieuw opgericht NAVO-verbindingscentrum op de grens van Nederland en België te gaan. Dat centrum was gevestigd in het grottenstelsel van de Cannenberg, iets ten zuiden van Maastricht. Wij werden gehuisvest in een oude kazerne in het Belgische Tongeren, samen met Belgische, Duitse, Engelse en Canadese militairen. Hier hadden wij een prima tijd met heel veel vrijheid en kon ik een keer in de drie weken vrij reizen naar huis. 
Een groot voordeel was dat wij in burger de poort uit mochten in onze vrije tijd. Aangezien er zoals gezegd ook Duitsers in het complex gehuisvest waren, wilde men niet dat die twintig jaar na de oorlog in uniform door de oudste stad van België liepen. Vandaar dat om de stad in te gaan burgerkleding voor alle nationaliteiten verplicht was. 

In oktober 1964 zwaaide ik af op vliegveld Ypenburg bij Den Haag. Letterlijk en figuurlijk gegroeid. Liep ik in de begintijd in Nijmegen nog vooraan in het peloton, als één van de kleinere soldaten, bij mijn afscheid van militaire dienst liep ik achteraan bij de grotere jongens. Als één van de weinigen was ik in die 21 maanden nog een flink stuk gegroeid. 
Terug in Amsterdam kon ik per direct weer bij de Gemeente Giro aan de slag. Niet alleen was het kantoor in de tussentijd verhuisd van de O.Z. Voorburgwal naar Singel 250, in het oude kantoor van de Ned. Handels Mij, maar inmiddels was daar ook de transitie begonnen van een papieren administratie naar een geautomatiseerd systeem d.m.v. ponskaarten. Een enorme vooruitgang. Het computersysteem van IBM was gehuisvest in een grote zaal, waarin meerdere hoge kasten stonden met grote, continue draaiende, schijven. De opslagcapaciteit en mogelijkheden van dit geavanceerde systeem zouden in vergelijking met tegenwoordig misschien net aan een honderdste deel bedragen van een doorsnee mobiel.

Aanvankelijk beviel het mij prima. Zowel het salaris, een kapitaal vergeleken met de karige soldij, als wel het feit dat onze afdeling een prettige enclave was in de strikte ambtenarenwereld van het Girokantoor. Het werk was afwisselend. Samen met leuke collega’s, onder leiding van een prettig gestoorde chef en met een aparte opgang in een mooi oud grachtenpand aan de Singel 256, zodat wij niet constant door het hoofdgebouw hoefden te lopen. 

Maar na enkele jaren begon het te kriebelen. Ik verlangde naar meer vrijheid, groter dan ik tot nu toe had ervaren. Ik wilde weg bij mijn lieve moeder en zelf mijn lot kunnen bepalen. 
Een paar maanden nadat ik als één van de jongste medewerkers in rang was bevorderd bood ik, tot verbijstering van iedereen, mijn chef, zijn superieuren en van vele van mijn collega’s, mijn ontslag aan. Zodat ik op een maandag in augustus 1968, Jan Jansen had de dag ervoor de Tour de France gewonnen, mijn geld van de bank haalde, mijn moeder vaarwel kuste en in mijn oude Kever stapte. De wijde wereld in, tenminste als je het zuiden van Spanje onder die noemer zou willen rangschikken. Ik zou nooit meer in de Blancefloorstraat terugkeren om er te wonen. Zo kwam er een eind aan de eerste gestructureerde fase in mijn leven. Het onbekende avontuur lokte.  

'Maak je niet druk, 
het gaat toch anders.'

Share by: